Sporen van de Tempelieren in Nederland - http://www.tempelieren.nl - © Ben Brus 2003-2012 


Haarlem


In Haarlem vindt men de Tempelierstraat.


Vermeldingen van de aanwezigheid van de Tempelorde in Haarlem.


Vanaf het begin van de achttiende eeuw vindt men talrijke vermeldingen van een huis van de Tempelieren in of bij Haarlem, maar ook enkele ontkenningen daarvan.

Hier volgt een overigens niet volledige opsomming.


Jacob van Oudenhoven schrijft in zijn “Haarlems Wieg” uit 1706 ( pg.59.):

Het groot inkomen van ’t Templiers Clooster onder Haarlem gelegen hebben zij.( De Johannieters ) in haren eersten inkomst gekregen.”

De Heeren van de Templiers, die buyten Haarlem in de Bosschagte woonden, zijn gegaen met alle harer goederen tot den voorseyde Huyse van St.Jan door raed ende toedoen des Edelen Mans Willem van Egmond. Dit was nadat de Templiers in het Concilie van Viennen Anno 1311 veroordeelt ende verwezen waren om uyt-geroeyt te worden.”


In 1719 brengt Van Heussen ( pg..528.) een vesting van de Tempelorde in Haarlem ter sprake in verband met een hieronder te bespreken stichtingsakte van het “Nieuw Klooster” uit 1311.


Veegens publiceert in 1850 een merkwaardige anekdote over de Haarlemse Tempelieren, over hun gevangenneming en uiteindelijke inlijving bij de Orde van St. Jan. Het verhaal is rijk aan boeiende maar kennelijk bedachte bijzonderheden. Een fantasie geïnspireerd vanuit het gruwelverhaal over Zierikzee?


Römer ( Eerste afdeling, pg. 174.) vermeldt in 1854 met betrekking tot de Tempelieren: “Aan bezittingen ontbrak het ook den bewoners van Nieuwenklooster bij of te Haarlem niet. In de geslachten van EGMOND en WASSENAAR hadden deze hunne begunstigers. ……… . Maar ook hier maakten de besluiten der Kerkvergadering te Vienne een einde aan de bloei, waarin de huizen der Tempelieren in deze gewesten zich verheugd mogen hebben. Hunne huizen en bezittingen geraakten onder anderen te Haarlem en te Zierikzee in handen der Jansheeren.”


Moll ( Deel II, stuk 2, pg.133 en137.) schrijft in 1867, dat van het gesticht van het tempelhuis in Haarlem geloofwaardig vermeld wordt dat het prachtig en ruim aangelegd was. Hij vervolgt: “Wat van de ridders te Haarlem wordt berigt, dat niet alleen hunne goederen, maar ook de broeders zelve in het gesticht der St.Jansridders aldaar overgingen, is welligt ook elders geschied.”


In zijn “Geschiedenis van Haarlem” schrijft F.Allan ( Tweede Deel, pg. 404 ) in 1877:

Wat in het bijzonder de Tempelieren in Haarlem aangaat, zoo wordt als stichter van hun klooster genoemd Jonkheer Willem van Egmond, dezelfde dus, die het klooster der Lazaristen deed bouwen. Deze zou in 1311 het klooster der Tempelheeren gesticht hebben, dat zijne tinnen verhief op de westelijke hoek der tegenwoordige Cingelgracht, ter plaatse waar men thans de kolossale huizing van de Heer Hanekuyk ziet, zich uitstrekkende langs het Plein, en welks benaming nog in de 16de eeuw in herinnering werd gehouden door een stuk lands, gelegen bij de Groote Houtpoort, dat het Tempelieren- of St.Janskerkhof werd genoemd; terwijl het hek naast de Schouwburg aan het Plein,’t Heerenhek genaamd, de herinnering aan de voormalige Tempelheeren nog tot op den huidigen dag bij ons doet voortleven.

Van de lotgevallen der Haarlemsche Tempelridders is ons weinig of niets bekend; men weet echter, dat zij na de opheffing hunner Orde in 1312, op voorspraak van Jonkheer Willem van Egmond, met al hunne bezittingen over zijn gegaan tot de Johannieten en met deze eene gelijke lotsbedeeling gehad hebben”.


Uit 1895 dateert een handgeschreven document, getiteld: “Gronden aan de Westzijde van het Plein, afkomstig van de Tempeliers en van de Commanderij van St.Jan. Het is aanwezig in het Noord-Hollandsarchief te Haarlem, onder het plaatskenmerk: Depot 44-001186.

Uit de inhoud blijkt, dat het indertijd werd opgesteld ten dienste van het gemeentebestuur van Haarlem, in verband met de gerezen vraag, of de stad wel met recht bepaalde grondstukken verhuurde. Het document eindigt dan ook met de zin: “Uit het bovenstaande blijkt, dat de grond nooit eigendom is geweest van den Heer Bloemendaal of zijn voorgangers, maar behoort tot de bezittingen van de Stad Haarlem.” Daarna volgt nog met potlood, in een ander handschrift:”en heeft de Gem. H. ’t volste recht de huur op te zeggen. B”.

Het document geeft een zakelijke opsomming van de betrokken eigendomsoverdrachten, met vermelding van de achtereenvolgende eigenaren, beginnend bij de Tempelorde. De auteur vermeldt zijn naam niet. Ook zijn bronnen noemt hij niet. Kennelijk is het een intern stuk van de gemeentelijke overheid. Het maakt een betrouwbare indruk Voor zover kan worden nagegaan stemt hetgeen wordt meegedeeld overeen met de feiten..



   Aanhef van het document: Gronden afkomstig van de Tempeliers in Haarlem


De volgende zinsneden eruit zeggen iets over de aanwezigheid van de Tempelheren in Haarlem:

Het klooster der Tempeliers te Haarlem stond aan de westelijke zijde van het Plein en strekte zich met zijne gronden uit, zuidelijk tot het tegenwoordige Wijde Geldelooze pad en westelijk in nog wat langer lijn langs de buitengracht nu bekend als de Raam Singel.

De orde der Tempeliers werd den 22. Maart 1312 door Paus Clemens V opgeheven, dien ten gevolge moesten zij ook te Haarlem hun klooster verlaten, zij gingen met al hunne bezittingen naar de orde der Johannieters over, die zich in het  jaar 1310  in deze stad gevestigd hadden, en wel in de St.Janstraat, ter plaatse waar zich thans het Ned. Geref. Diaconiehuis bevindt.
Dit klooster is bekend onder de naam van : De Commanderij van  St.Jan. Het werd dus in 1312 eigenaar van de voormalige woning met al de daarbij behorende terreinen aan het Plein en Raamsingel hierboven nader aangeduid.
In de loop des tijds, verdwenen de voormalige kloostergebouwen der Tempeliers en als onbebouwde grond, verhuurde de Commanderij van St.Jan het uitgestrekte land voor moestuin.”
………”Blijkens de rekening der commanderij van 1623 werd het hierboven meermalen genoemde land geschat groot te zijn omtrent anderhalf morgen, het werd verhuurd aan  Cornelis Ceelen, Warmoezier, die er f 110,- huur per jaar voor betaalde.”
……..”Met het jaar 1645 werd het land verdeeld in vijf en twintig tuinen, welke voortaan per stuk verhuurd werden.”.

Voor het jaar 1753 wordt in een verdrag als onderpand vermeld: “den opstal van een huis en Wagenmakerij staande buiten de Groote Houtpoort op den hoek van het Heerenhek; staande de gemelde opstal op den grond toebehorende aan de Commanderij goederen van St.Jan.”

Muller, Fz. S. schrijft in 1918 inOnze Eeuw” ( pg.32/33):Na haar (van de Johanniterorde) vestiging in Nederland vinden wij dan ook twee kloosters wier goederen grootendeels aan de Tempeliers behoord schijnen te hebben, in hun bezit: de huizen te Haarlem en te Middelburg, waarvan het eerste in 1312, het laatste in 1317 gesticht was,....

Muller, Hzn .( pg. 304 ) vermeldt in 1921 bij Haarlem: “Het TempelierenkloosterNieuwkloosterin 1311 buiten de Houtpoort aan het Heerenhek gesticht en het volgende jaar bij de opheffing van de orde verenigd met het St.Jansklooster.”


Schoengen ( pg. 65.) schrijft in 1941 onder Haarlem: “Tempeliers. Nieuwklooster. Dit huis, gesticht in 1311, lag buiten de Houtpoort aan het Heerenhek op den westhoek van den Singel aan de Buitengracht en het Plein. In 1312 gingen de bewoners over naar de orde der Johannieters.”


Van Buyten en Vanderzeypen ( pg. 149.) schrijven in 2005::”Het huis van Ten Brake beheerde tempeleigendommen in …..Haarlem, …


Vermeldingen, die geen verdere bijzonderheden bevatten, dan de in het bovenstaande reeds genoemde, vindt men bij: Leegwater uit 1706 ( pg. 14.), Schreveli uit 1754 ( pg.17.), Havemann uit 1846 ( pg. 163 ), Van den Anker uit 1868 ( pg.32.); Bots uit 1882 ( pg. 231 en 232.), Beresteyn uit 1934 ( pg.24 en 53.), in De Katholieke Encyclopedie uit 1954 ( Deel 22, pg. 926.) en bij Post uit 1957 ( pg. 218 ).


Ontkenning van de aanwezigheid van de Tempelorde in Haarlem.


In 1979/1980 schrijft Streefland (pg.144.) : “Meer aandacht verdient de vestiging in Haarlem. Hierover was, op grond van een oorkonde uit 1311, bekend, dat Willem van Egmond een schenking had gedaan voor de stichting van een tempelierenklooster. Nu maakt het jaartal 1311 een schenking aan de tempeliers zeer onwaarschijnlijk. Volgens een in 1963 verschenen artikel gaat het hier dan ook niet om een schenking aan de tempeliers, maar aan een andere, aanvankelijk in Haarlem aanwezige, maar later opgeheven orde, namelijk die der lazarieten. De bezittingen der lazarieten gingen op 1 november 1312 over op de commanderij der johannieters te Haarlem. Aangezien juist in die tijd in verband met de opheffing van de orde der tempeliers overal in Europa hun bezittingen toevielen aan de orde van de johannieters, is het aannemelijk, dat de onbekende orde der lazarieten in de traditie plaats gemaakt heeft voor de orde van de tempeliers. Zo is in Haarlem sprake van eenzelfde “geschiedvervalsing” als in Zierikzee.


K. ter Veen volgt een soortgelijke gedachtengang. In zijn in 2000 verschenen: “De Tempeliers. Afrekening met een legende” schrijft hij ( pg.131.):”Voor Haarlem geldt iets dergelijks. In het Monasticon staat dat het klooster van de tempeliers in 1311 is gesticht, maar dat is onmogelijk. De vervolging van de tempeliers was toen al vier jaar aan de gang. Wellicht heeft men het klooster van de orde van St. Lazarus aangezien voor een tempelcomplex. Dit klooster werd in 1379 overgedragen aan de hospitaalorde. Omdat dit in het begin van de veertiende eeuw eveneens met de bezittingen van de tempeliers gebeurde, is het misverstand eenvoudig te verklaren.”


In de zelfde geest schrijft Henderikx een jaar later ( pg.98 ): “Iets dergelijks ( het ten onrechte aannemen van een Tempelhuis te Zierikzee) ziet men ook in Haarlem, waar van de Johannieters wordt gezegd, dat zij het tempelierenklooster hebben overgenomen, terwijl het daar in werkelijkheid gaat om een klooster van de onbekende en opgeheven orde der Lazaristen.”


Goudriaan vermeldt in 2010 in de Kloosterlijst” (Eliminatielijst):”Haarlem Tempeliers: Mon. Bat.II 81, nr. 11. Zie Henderikx (1977) 86 nt. 144. Zie Zierikzee. Met dit laatste geeft hij te kennen, dat naar zijn mening de vermelding van een tempelvestiging te Haarlem tot de legendes gerekend moet worden.


Valt te achterhalen, wat er in feite heeft plaats gevonden?


Er is een en ander, dat ter ondersteuning van de zienswijze van Streefland, Ter Veen en Henderikx kan worden aangevoerd. Bots ( pg. 228 en 229. ) meldt bijvoorbeeld, dat Willem van Egmond “op de uiterste gracht bij de Hout, dus even over de Oude Gracht, welke vroeger de buiten-singel der stad was”  in 1307 een klooster van de Lazarieten heeft gesticht. De zelfde stichter en een soortgelijke plaatsaanduiding worden voor een klooster van de Tempelorde aangegeven. De Tempelorde werd in het begin van de 14de eeuw opgeheven, de broeders en de bezittingen te Haarlem zouden zijn overgegaan naar de ridders van St.Jan. Bots vermeldt, dat in de zelfde eeuw ook de orde der Lazarieten werd opgeheven, en dat hun bezittingen in Haarlem werden overgenomen door de commanderij van St.Jan. De oudst bekende vermelding van de naam “Tempeliers” in Haarlem is te vinden in een contract uit 1570. Dat is rijkelijk laat. Tot overmaat van ramp wordt in de literatuur zowel een klooster van de Tempelieren als dat van de Lazarieten wel “Nieuw Klooster” genoemd. Voor het misverstand, waar genoemde auteurs op doelen, bestaat dus meer dan voldoende aanleiding.


Nu wil het toeval, dat een mogelijke verwarring van een Tempelierenklooster met een Lazarietenklooster in Haarlem al eerder onderwerp van een uitvoerige discussie is geweest. De gang van zaken was de volgende:

Uit 1311 bleef een brief bewaard van Willem van Egmond, ( Zie: Gonnet: pg 147 en 148; Oosten de Bruyn, 1ste deel, pg. 90 t/m 92. De volledige tekst van de brief is ook te vinden bij Matthaeus, T.6, pg 489 en 490; bij Van Heussen  T.I, 1719, pg. 527/8; bij Van Heussen en Van Rijn Deel III, pg 972 en in het ”Groot Charter -boek der Graaven van Holland”, Deel 2, fol.117.) Willem oorkondt in deze brief, dat hij “op die uyterste grafte van Haerlem bij den Houte” het zo geheten “Niewen-clooster” heeft gesticht. Merkwaardiger wijze vermeldt hij niet, tot welke orde de betrokken kloosterlingen behoorden. De brief spreekt slechts van “tot diere behoeff diere inne woonen”.

Nu wordt in de literatuur zowel van de Tempelieren als van de Lazarieten in Haarlem een klooster vermeld, dat “Niuwenclooster” wordt genoemd. Van het Lazarietenklooster was bekend, dat het in 1307 was gesticht (Zie giftbrief bij: Gonnet pg. 140.). Omdat een klooster niet tweemaal gesticht pleegt te worden, is het begrijpelijk, dat veel kroniekschrijvers aannamen, dat de akte van 1311 betrekking had op een Tempelierenklooster. In een discussie, die hierover ontstond, toonde Gonnet (pg.139 – 152; Allan, pg. 388 – 396.) echter goed gedocumenteerd aan, dat de brief betrekking had op een Lazarietenklooster. De verklaring van de tweevoudige stichting, bleek eenvoudig. (Gonnet, pg. 143 – 148.). Bij de schenking in 1307 was kerkelijkrechtelijk een fout begaan. De grootmeester van de Orde van de Lazarieten was er niet in gekend. Toen deze vernam, dat in strijd met zijn rechten was gehandeld, vaardigde hij onmiddellijk een banvonnis uit over alle Lazarieten in Haarlem. De bisschop van Utrecht werd bij het probleem betrokken. De stichting in 1307 bleek ongeldig. Deze vond daarna – nu op formeel juiste wijze - opnieuw plaats. Op deze tweede stichting had de brief van 1311 betrekking.

Een verwisseling, zoals Ter Veen vermoedt, is dus in het verleden inderdaad voorgekomen, zelfs bij meerdere geschiedschrijvers, zoals uit de boven aangehaalde vermeldingen uit de literatuur blijkt.

Nu de oorkonde van 1311 geen betrekking blijkt te hebben op een Tempelierenklooster, is een veel aangehaald middeleeuws document, waaruit de aanwezigheid van de Tempelieren in Haarlem zou kunnen blijken, als bewijsstuk krachteloos gebleken. Ter Veen en Henderikx concluderen uit het niet goed onderscheiden van de twee kloosters, een misvatting, die dus inderdaad bij een reeks historici is voorgekomen, dat het verhaal over de aanwezigheid van de Tempelieren in Haarlem slechts een legende is en dat hun klooster dus niet heeft bestaan. Gonnet zelf trekt deze conclusie echter niet. Hij blijft integendeel uitdrukkelijk spreken van twee kloosters (Gonnet, pg. 139 en 140). Beide gelegen buiten de stad, aan de Oude Gracht, maar niet op de zelfde plaats. Het Lazarietenklooster lag meer oostelijk. Het was gevestigd in een gebouw, dat later dienst deed als bank van lening. Het klooster van de Tempelridders lag meer westelijk, bij de Grote Houtpoort. Dit neemt overigens niet weg, dat voor diegenen, die alleen via contemporaire documenten te overtuigen zijn van het bestaan van een tempelvestiging, na de herinterpretatie van de stichtingsakte van 1311 nog alle reden blijft bestaan te twijfelen.

Evenwel, een klooster in de Haarlemmerhout komt ook ter sprake bij Willelmus Procurator (Willelmi Capellani in Brederode). Dit was een kroniekschrijver, die nauwe relaties onderhield met de Heren van Egmond, en een tijdgenoot was van de kloosterstichter Willem.. In zijn “Chronicon” ( pg. 88; ook bij Matthaeus, T.secundus, pg.578.), schrijft hij: “Anno MCCCXII, fratres, per Willelmum de Egmonda juxta Harlem in silvis constituti ad domum Sancti Johannis praedictam in Harlem se & sua omnia transtulerunt.”  Volgens deze aantekening zijn de bewoners van een klooster in De Hout in 1312 met al hun bezittingen overgegaan naar het klooster van de Johannieters in Haarlem. Ook hier wordt niet vermeld, tot welke orde de kloosterlingen behoorden. Gesproken wordt slechts van “fratres” in het algemeen. Van welk klooster in De Hout is hier sprake?

Dat van de Lazarieten kan het niet geweest zijn. Van hun klooster is namelijk bekend, dat het pas jaren later, in 1379, bij de opheffing van hun orde, is overgegaan naar de commanderij van St Jan. Twee maal overgaan naar de Johannieters mag wel als uitgesloten worden beschouwd. Blijft de andere mogelijkheid: het klooster is van de Tempelieren. Nu is 1312 precies het jaar, waarin de Tempelorde werd opgeheven. Hierbij werden al haar bezittingen toegewezen aan de Orde van St Jan. ( Zie: Het tragisch einde.). Hier moet dus inderdaad sprake zijn van een klooster van de Tempelorde. In dat geval is ook zonder meer duidelijk, dat tot 1312 Tempelridders in Haarlem gevestigd zijn geweest in een klooster, dat indertijd door Willem van Egmond in De Hout was gesticht.

Enkele auteurs toonden zich verbaasd, dat in de aantekening van Willelmus ( evenals in de schenkingsbrief van 1311) geen kloosterorde met naam wordt genoemd. Ook zij kwamen daarbij tot de opvatting, dat een Tempelierenklooster werd bedoeld:

Moll ( Deel II, stuk 2, pg133 ) merkt bijvoorbeeld in een voetnoot bij de aangehaalde passage van Willelmus argeloos op: “Bij het woord “fratres” schijnt “templi” uitgevallen te zijn.”

Van Heussen en Van Rijn ( pg. 972; een vrijwel identieke passage in het Latijn is te vinden bij Van Heussen, 1755, pg.528.) gaan in 1726 uitvoeriger op het probleem in. Na weergave in extenso van de stichtingsoorkonde van het “Nieuwenklooster” uit 1311 – waarvan ook zij ten onrechte aannemen, dat deze betrekking heeft op een Tempelierenklooster - vervolgen zij:

Antonius Matthaeus meldt niet wat onder dit klooster zij geweest. Maar de edele Heer Pieter van Adrichem, anders van Dorp, zaliger gedagtenisse / een groot Liefhebber van onze vaderlandsche oudheden / heeft daar over het volgende met eigen hande aangetekent; ’t welk onder de pampieren van dien Heer is gevonden / en mij bezorgt is door den eerw. Heer Petrus Lobs. In Duitsland heeft men de Tempelieren zachter gehandelt: want de Aartsbisschop van Ments, hebbende alvorens een Synoden gehouden, heeft de Tempelieren, die zich onnozel verklaarden, en op den volgenden Paus beriepen, in ’t leven gelaaten, en heeft hen met hunne goederen in andere kloosters verdeelt.
Even eens zijn de Tempelieren gevaaren, dewelke in de voorstad van Haarlem, op den weg naar den Hout, gesticht waren door Willem Heer van Egmond. Want door bemiddeling van hunne stichter voornoemd zijn, zij met hunne goederen overgegaan in S.Jans Gasthuis: welk Gasthuis de Bisschop van Suds, Kommandeur van S.Katharinaas huis te Utrecht, in de stad Haarlem..........gesticht had in ’t jaar 1310.
Dirk Schrevel moet hier ook iets van geweten hebben: want in zijn beschrijvinge van Haarlem schrijft hij aldus: De Broeders van deze Order, dewelke in denHout bij de stad woonden, hebben in ’t jaar 1313, op het aanraaden en aanzetten van den edelen Heer Willem van Egmond, hunne woonplaats verlaten; en zijn met hunne goederen, en hun ganschen inboedel, overgegaan in S.Jans Gasthuis.”

De overgang van de Haarlemse Tempelridders met hun bezittingen naar de Hospitaalridders wordt hier duidelijk geplaatst in de context van het bieden van een veilige uitweg aan onschuldigen, die zich in een bedreigende situatie bevinden. Willem van Egmond zou daarbij behulpzaam zijn geweest. Deze gedachte was in de ogen van Van Heussen en Van Rijn in de achttiende eeuw blijkbaar nog zo afwijkend van de gangbare, dat ze het nodig vonden de herkomst er van uit een gezaghebbende bron zorgvuldig te verantwoorden.

In het bovenstaande ligt de verklaring besloten voor het niet met name noemen van de Tempelorde door Willelmus in zijn aantekening uit 1312.

De tekst werd geschreven in of kort na 1312. Vier jaar er voor waren alle Tempelieren in Frankrijk gevangen genomen. Ernstige en beschamende beschuldigingen waren daarna door heel de Christenheid verspreid. Geruchten over helse folteringen waren ongetwijfeld tot in onze gewesten doorgedrongen. De paus had berechting door de inquisitie van alle Tempelieren gelast, inclusief het toepassen van tortuur. Het desbetreffend pauselijk schrijven had ook de bisschop van Utrecht bereikt. Dit alles hield in, dat in 1312 de naam “Tempelier” besmet was. Wie zo genoemd werd, was ernstig verdacht; hem hing groot onheil boven het hoofd. .Wie hem steunde kon ook zelf van ketterij beschuldigd worden. Kan het dan verwonderen, dat Willelmus-Procurator het vermelden van de naam vermeed? Van Oosten de Bruyn schrijft in dit verband ( I, pg 91 e.v.): “ ….de Tempeliers, welken, door toedoen van deezen Heere van Egmond, na de vernieling van derzelver Order, onder de St.Jans Ridders gestoken, en van dezelven in hun Huis alhier ontvangen waren;’t welk, schoon ’t onze oude schryver niet zegt, echter kan waar zijn, en hier van de rede weezen, dat hij ze als Broeders van St.Jan, en niet bij hunnen eigen naam, heeft willen noemen, om daar mede den algemeenen haat, waar in d’Order van den Tempel toen gebragt was, t’ontgaan”. Het onderbrengen van de Tempelieren bij de Johannieters wordt hier aangeduid met “gestoken”= verborgen, verstopt? Zowel Willem van Egmond als de Haarlemmer Hospitaalridders boden bedreigde onschuldigen bescherming. Zij namen daarmee een risico op zich. De bisschop van Utrecht, die bij het concilie van Vienne aanwezig was, moet van een en ander op de hoogte zijn geweest. Over maatregelen van zijn kant wordt niet gesproken.

Met zekerheid mag worden aangenomen, dat de aantekening van Willelmus Procurator over de overgang van een klooster te Haarlem in 1312 naar de Commanderie van St Jan betrekking heeft op een Tempelierenklooster. Hoewel de Tempelieren er niet expliciet genoemd worden, vormt de kroniek van Willelmus toch een contemporair document, waaruit de aanwezigheid van de Tempelorde in Haarlem blijkt.


Enkele opmerkingen bij de aantekening van Willelmus.


  -   Uit de aangehaalde zin uit “ ”Chronicon” blijkt, dat het betrokken Tempelklooster, evenals het Lazaristenklooster, gesticht werd door Willem van Egmond. Een stichtingsjaar wordt niet genoemd. Latere auteurs vermelden dikwijls het jaar 1311. Gezien bovengenoemde verwarring van de twee kloosters is deze datering kennelijk onjuist. Stichting van een Tempelierenklooster in een tijd, waarin het proces tegen de Orde reeds enkele jaren in alle heftigheid gaande was, is zeer onwaarschijnlijk. Aangezien Willem van Egmond zowel genoemd wordt als stichter en als degene, die de Tempelridders bij hun overgang naar de Johannieters behulpzaam was, valt de aanwezigheid van de Tempelieren in Haarlem binnen het tijdsbestek waarin Willem actief was. Van erg lange duur kan deze dus niet geweest zijn.


  -   Het is gewaagd om op grond van een enkel geval een algemene tendens te veronderstellen. Toch dringt zich de vraag op, of ook elders in de Noordelijke Nederlanden bij de opheffing van de Tempelorde op soortgelijke geweldloze wijze te werk werd gegaan.

Bots ( pg.61 ) vroeg zich al af, of de ondergang van de Tempelieren in Beverwijk zich niet op een gelijke wijze heeft voltrokken als in Haarlem.

Moll (II,pg.133.) vermoedt voor heel ons land een soortgelijke gang van zaken.

Reeds eerder werd in deze site het vermoeden geuit, dat in onze streken door het optreden van de hogere adel en geestelijkheid de Tempelieren bij de opheffing van de Orde de gelegenheid werd geboden ongemerkt in de samenleving op te gaan, als het ware geruisloos van het toneel te verdwijnen. Mogelijk zijn arrestaties, juridische processen en gewelddadigheden hier niet voorgekomen. Daarmee zou ook een verklaring zijn gevonden voor het veel vermelde bevreemdend verschijnsel, dat in ons land de kronieken zwijgen over de Tempelorde, met name over het verdwijnen van deze Orde in het begin van de veertiende eeuw.


  -   In 1310 schrijft Willem van Egmond zijn uiterste wil. (Gonnet: pg 141 en 142. ) De lijst van begunstigden is lang. Op een zeer bijzondere wijze worden echter: “die van den nuwen Clooster bi Harlem” begiftigd. Naast een geldbedrag worden hen – en hen alleen - de persoonlijke eigendommen van de erflater toegedacht:: “mijn grote rode boel ende mijn harnasch ende al dat to mijnen live behoort ende III coijen, twee bedden, twee dekenen, twee paer slapelaken ende die doorgrawe bonte dekene, ende Haeren Mensen zonderlinghe mijnen clene nappekiaen.” Het testament vervolgt dan: “Ende in dese voerseide nuwen cloester kiese ic mine legherstede ende al dat men met mij daer brenghet, dat beghere ic dat ment daer late.’

Willem moet zich met zijn Nieuwe Klooster wel zeer persoonlijk verbonden hebben gevoeld. Merkwaardigerwijze wordt ook hier niet vermeld welk van de twee in aanmerking komende kloosters bedoeld is. Gonnet neemt zonder meer aan, dat het hier het klooster van de Lazarieten betreft. Een argument er voor geeft hij niet. Tegen de keuze voor de Tempelieren zou pleiten, dat hun moeilijkheden in 1310 al een zodanige vorm hadden aangenomen, dat het niet meer gewenst was hen zo uitdrukkelijk te begunstigen. Er voor zou pleiten, dat een laatste rustplaats op een begraafplaats van de Tempelorde bij de adel hoog in aanzien.stond.

Werd ook hier de naam “Tempelorde”uit voorzorg vermeden? De vraag zal wel nooit beantwoord worden.


De vestiging van de Johannieters te Haarlem.


Het klooster van de Johannieters, waarin de Haarlemse vestiging van de Tempelorde opging, stamde van 1310. Het was een commanderij, die aanvankelijk afhankelijk was van de Landscommanderij te Utrecht. In de 15de eeuw kwam ze tot grote bloei. Ze maakte zich geheel zelfstandig. Tijdens de troebelen in de 16de eeuw werd ze geplunderd. In de eerste helft van de 17de eeuw ging ze definitief ten onder. ( Allan, pg. 256 – 386.)


Rol in het langeafstandsverkeer.


Haarlem ontstond aan een weg over een strandwal, die het noorden van Holland verbond met het zuiden. Onder “historie” vermeldt de gemeente Haarlem in haar website, dat in de dertiende eeuw handel en bedrijf opkwamen, “doordat Haarlem gunstig aan de oude noord-zuid verbinding over land was gelegen. Ook de Spaarne was een goede verbinding, maar dan over water.”

Het tempelierenklooster lag indertijd bij de Houtpoort, aan de weg, die van Haarlem naar Leiden voerde, de “Wagenweg” genaamd. Het ligt voor de hand, dat het voor passerende reizenden als steunpunt heeft gefunctioneerd.


Samenvatting.


Willem van Egmond stichtte bij Haarlem een klooster voor de Tempelorde. Dit “Nieuwe Klooster” was gelegen buiten de stad, in “De Hout”, aan de Oude Gracht, bij de Houtpoort, aan de uitvalsweg naar Leiden.
Het grondbezit besloeg anderhalve morgen.
Met betrekking tot het al of niet bestaan hebben van dit klooster en tot  het stichtingsjaar heeft veel misverstand bestaan. Begrijpelijke verwarring met een Lazarietenklooster, dat in ongeveer de zelfde tijd, op een soortgelijke plaats, door de zelfde stichter werd gevestigd, lag hieraan ten grondslag.
De stichtingsdatum is niet bekend. De aanwezigheid van de Tempelorde in Haarlem was evenwel van korte duur, op zijn hoogst enkele tientallen jaren.
Toen in 1312 de Tempelorde werd opgeheven, gingen, met steun van dezelfde Willem van Egmond, de bewoners van het klooster met al hun bezittingen over naar het in Haarlem gelegen klooster van de Johannieter Orde.
Afgezien van enkele toponiemen vallen in Haarlem geen sporen van de aanwezigheid van de Tempelieren meer waar te nemen.




Literatuur


Allan, F.:  Geschiedenis en beschrijving van Haarlem, van de vroegste tijden tot op
onze dagen
.  Haarlem, 1877.


Anker, S, van den:  De opheffing der Tempeliers.      `s Hertogenbosch,  1868.


Beresteyn, E.A .van:  De geschiedenis der Johanniter-orde in Nederland tot 1795.
Assen  1934.


Bots, P.M.:  De oude kloosters en abdijen van het tegenwoordige bisdom Haarlem.
Rijsenburg,  1882.


Buyten, Y. van en W. Vanderzeypen:  De Tempeliers. Huurlingen van de Paus.
Uitg. Synthese & Aqua Fortis,  ( 2005 .)

Diverse auteurs:  Katholieke Encyclopedie.  Amsterdam/Antwerpen,  1954.


Gonnet, G.J.:  De Lazaristen te Haarlem.  In: Bijdragen voor de Geschiedenis van het
Bisdom van Haarlem
. Derde deel, pg.137  Haarlem,  1875.


Havemann, W.  Geschichte des Ausgangs des Temperherrenordens.
Stuttgart und Tübingen,   1846.


Henderikx, P.A.:  Land, water en bewoning. Waterstaats- en nederzettingsgeschiedenis
in de Zeeuwse en Hollandse delta in de Middeleeuwen.
.  Hilversum,  2001.


Heussen, H.F. van:  Historia episcopatuum federati Belgii.   Ultrajectini.  Lugdunum .1719.


Idem: Oudheden en Gestichten van Kennemerland.  Leiden,  1721.


Heussen, H.F. van, en H.H.van Rijn:  Kerkelijke historie en outheden der zeven vereenigde Provinciën.  Leiden 1726.


Leegwater, J.Azn.:  Een korte beschrijvinge van de Stad Haarlem.  Haarlem,  1706.


Matthaeus, A.  Veteris aevi analecta.  Hage,  1738.


Moll, W.:  Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming.  Arnhem,  1867.


Muller Fz, S.: De Johanniters in Nederland. In: Onze Eeuw. Jrg.1918, pg.28-52 en 129-173. 1918.


Muller Hzn, S.:  Geschiedkundige Atlas van Nederland. De kerkelijke indeling
omstreeks 1550. Tevens kloosterkaart
.  ‘sGravenhage, 1921.


Oosten de Bruyn, G.W. van:  De Stad Haarlem en haare geschiedenis.  Haarlem,  1765.


Oudenhoven, J. van:  Haarlems Wieg, of Historische bedenkingen over eenige oudheden
van dezelve stad
.  Haarlem,  1706.


Post, R.R.  Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen.  Utrecht/Antwerpen,  1957.


Römer, R.C.H.:  Geschiedkundig overzigt van de kloosters en abdijen in de voormalige
graafschappen van Holland en Zeeland.
  Leiden,  1854.


Schoengen, M.:  Monasticon Batavum.  Amsterdam,  1941.


Schrevelius, Th.:  Harlemias, of eerste stichting der stad Haarlem.  Haarlem,  1754.


Streefland, A.A.: Tempeliers in Brabant. De Commamderij Ter Brake bij Alphen. In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda “De Oranjeboom”. Jrg.1979/1980, pg. 141-166.


Veegens,.D.D.J.:  Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd.  Amsterdam,  1850.


Veen, K. ter:  De tempeliers. Afrekening met een legende.  ( Soesterberg,  2000.)


Willelmi Capellani in Brederode:  Chronicon.  Uitgegeven door C. Pijnacker Hordijk.  Amsterdam.  1904.

 

 

 

 

Verder Terug Home